Overzicht

Homepage

Onze school en haar  onderwijsproject even voorstellen  

English
Français

Kortemark

INFORMATIE

Algemeen
Studierichtingen
Internaat
Trein en bus
Leerlingenrestaurant
Organisatie en directie
Schoolreglement

Personeel

SCHOOLLEVEN

Schoolkalender
Brieven aan ouders    
Weekmenu
Mozaïekjes

Leerlingenraden
Klasfoto's 2009-10

HISTORIEK

Schoolhistoriek
Fotoalbums 1900 - 2001   
Jubileum Boek 150 jaar Margareta - Maria - Instituut


OUD-LEERLINGEN

Als werkzoekende melden
Een medewerker vinden
Vacatures
Resultaten verdere studies
 

ARCHIEF

Schoolleven vanaf 1999   
 


 



Contactadressen

Handzamestraat 18
8610 Kortemark

tel.gif (121 bytes)
school: (051) 56 77 33 
internaat: (051) 57 59 20

fax.gif (183 bytes) (051) 57 03 51

email.gif (117 bytes) administratie
@mmikortemark.be

Campus Onze-Lieve-Vrouw van Troost
Hospitaalstraat 22  
8610 Kortemark
  (051) 56 79 00

Campus Huilaert
Amersveldestraat 84   
8610 Kortemark

  (051) 77 92 29

 

 

Links
 

 
Schoolkalender


Weekmenu
 


Smartschool
 


Intranet leerkrachten
 


E-mailserver
 


Volwassenenonderwijs

 

ANDERE LINKS

Basisschool

Scholengemeenschap Houtland 

Documenten voor DPB

 

 

Margareta-Maria-Instituut Kortemark
De eerste graad

 

Aangepast  2010-01-13 15:26

 

Tussen 12 en 18 jaar ondergaan alle jongeren een enorme evolutie. Het secundair onderwijs moet daarop kunnen inspelen door in de studieloopbaan meerdere keuzemomenten te voorzien, door te vroege specialisatie uit te stellen en door rekening te houden met mogelijke verschuivingen in de persoonlijke interesse.

Bij de overgang van het basis- naar het secundair onderwijs zijn bij een aantal leerlingen de studiecapaciteit en de belangstelling voldoende gekend om een eerste voorlopige keuze te kunnen maken. Veel anderen zijn meer gebaat met een eerste meer algemeen jaar om pas later de beste keuze te kunnen vastleggen. Voor zwakke of minder sterke leerlingen of voor leerlingen die in de basisschool achterstand hebben opgelopen, biedt het leerjaar B (of brugjaar) de beste oplossing.

Even verduidelijken aan de hand van een schema:

 

6de leerjaar van de Basisschool

1ste leerjaar secundair onderwijs

Leerlingen die reeds weten welke richting ze willen uitgaan

1ste leerjaar A

Leerlingen die nog niet weten welke studies ze zullen aanvatten, die nog niet keuzerijp zijn
Minder sterke leerlingen of die een achterstand hebben opgelopen

1ste leerjaar B 
(brugjaar)


Daarom moet bij de aanvang van het secundair onderwijs op een paar belangrijke aspecten gelet worden :

  • De keuzemogelijkheid zo breed mogelijk openhouden en niet voorbarig latere studiemogelijkheden afsluiten of beperken.

  • Voorrang geven aan een zo stevig mogelijke basisvorming, vooral in de hoofdvakken Nederlands, Frans, Wiskunde en Latijn.

  • Elke leerling dat onderwijs verstrekken dat aansluit bij aanleg en bereikt niveau in het 6de leerjaar.

Dit alles kan binnen het Eerste leerjaar dat in het Katholiek Onderwijs overal op dezelfde manier wordt uitgebouwd.

 


 
De eerste graad = gemeenschappelijke leerjaren
 

De 1ste graad (1ste en 2de leerjaar) omvat gemeenschappelijke leerjaren, d.w.z. dat de leerlingen nog geen definitieve onderwijsvorm (ASO, TSO, BSO) gekozen hebben, dat alle wegen nog open blijven.

Wie geen Latijn kiest in het 1ste jaar, kan er nadien niet meer mee beginnen. Latijn is immers vanaf het 1ste jaar een begincursus waarop verder wordt gebouwd in het tweede jaar.

In de 1ste graad is technologische opvoeding verplicht voor iedereen.

De kleinere keuzen in het 2de gemeenschappelijk leerjaar (5u of 7u) noemt men basisopties

Het tweede leerjaar is nog steeds "gemeenschappelijk". In feite wordt deze "gemeenschappelijkheid" beperkt door eigen leerplannen per optie voor Frans, Wiskunde, Engels en Wetenschappen. Een ASO-leerling zal deze vakken dus op een ander niveau onderwezen krijgen dan een leerling uit een technisch gerichte optie.

Verschillende lessenroosters:


 

DOELSTELLINGEN EN ORGANISATIE VAN DE EERSTE GRAAD
 

1. Indeling van de klassen.


Centrale Speelplaats ...

In het eerste en tweede leerjaar worden homogene klassen gevormd, d.w.z. klassen van ongeveer hetzelfde peil: de leerlingen worden gespreid over een 10-tal klassen op basis van het bereikte studiepeil op het einde van het zesde leerjaar, van de aanleg en van het gekozen keuzepakket of optie.

Door het vormen van homogene klassen krijgen alle leerlingen - voor de gemeenschappelijke vakken - dezelfde basisleerstof onderwezen. De tijd die overblijft, wordt in zwakkere klassen besteed aan het verder inoefenen van de basisleerstof. In sterkere klassen wordt ondertussen aan verdieping gedaan en krijgen de leerlingen bijkomende oefeningen waarvan de moeilijkheidsgraad groter is en waar meer denk- en redeneringswerk bij te pas komt. Op die manier komen alle leerlingen aan hun trekken.

 

 

2. De school moet de hele mens vormen.

Naast het verwerven van kennis en wetenschap, gaat de volle aandacht naar de vorming van de hele mens. De 12-jarige leert ook objectief oordelen en kritisch denken. Op school wordt daarnaast ook aandacht geschonken aan de ontwikkeling van bepaalde attitudes of grondhoudingen die van groot belang zijn voor het latere leven : verdraagzaamheid, openheid en hoffelijkheid, liefde, verantwoordelijkheidszin, doorzetting, stiptheid, orde, enz.

 

 

3. Hulp bij het studeren.
 

De moeilijkheden die sommige leerlingen ondervinden bij het studeren, zijn meestal zo specifiekMillennium- of sportspeelplaats op een winterse morgen ... dat ze moeilijk met de hele klasgroep kunnen opgelost worden. Hiertoe dient er meer individueel of in kleine groepjes gewerkt. Dit is mogelijk dank zij :

  • de wekelijkse inhaallessen voor Frans en wiskunde die als doel hebben leerlingen bij te werken die om één of andere reden (bv. afwezigheid door ziekte, studieproblemen, enz.) achterstand hebben opgelopen. Vandaar dat er tijdens de inhaallessen individueel of met kleine groepjes wordt gewerkt.

  • leerbegeleiding. Al heel wat jaren hebben we op onze school aandacht voor ‘leren leren’. Toch krijgen we nog heel vaak signalen van ouders en van leerlingen zelf dat orde, discipline, motivatie en de studiemethode niet van een leien dakje lopen. Sommige leerlingen studeren nauwelijks; anderen studeren veel, maar soms weinig efficiënt.

Deze momenten van leerbegeleiding worden afgewisseld met inhaallessen. In deze lessen worden bepaalde stukken van de leerstof opnieuw uitgelegd. Het voordeel is dat er op die momenten trager en in kleinere groepen gewerkt wordt. De internen worden begeleid door de internaatsopvoed(st)ers.

  • Een 3-tal weken voor een examenperiode krijgen de leerlingen van de eerste graad een studieplanning mee. In de eerste graad wordt de studieplanning opgesteld in de lessen leerbegeleiding. Bedoeling is de leerlingen zo goed mogelijk voor te bereiden voor de examens.


4. Titularisuurtje.

Alle leerlingen van de eerste graad hebben wekelijks een titularisuurtje (in het lessenrooster ingebouwd). Samen met de klassenleraar worden iedere week een aantal punten behandeld, zoals hulp bij het studeren (zie hierboven), werken aan goede klassfeer, meedelen van praktische zaken of schikkingen, ...


5. Leren regelmatig studeren.

Vele jongeren hebben de neiging om enkel te studeren wanneer een reeks examens gepland is. Voor de verdere studieloopbaan is het echter van belang dat de leerlingen leren regelmatig werken. Dit wordt bekomen door :

  • regelmatige schriftelijke of mondelinge beurten

  • synthese overhoringen over grotere leerstofeenheden

  • examenperiodes waar alle vakken getest worden:

    • oktober:

      • 1A en 2de gemeenschappelijk leerjaar: examens

      • 1B en 2de beroepsvoorbereidend leerjaar: permanente evaluatie

    • december, maart en juni: toetsen voor alle klassen

  • Voor praktische vakken is er permanente evaluatie.

Zo leren de leerlingen regelmatig werken en kunnen tekorten tijdig opgespoord en verholpen worden.

 

6. Observatie en oriëntatie van de leerlingen.

Om met grote zekerheid de passende richting voor elke leerling te kunnen bepalen, hebben de leerkrachten in de eerste graad een taak van observatie: elke leerkracht onderwijst niet enkel één of meerdere vakken, maar gaat bovendien na hoe de leerling erop inhaakt, welke zijn of haar belangstelling, bekwaamheden of vaardigheden zijn.

Regelmatig komen alle leerkrachten van een bepaalde klas samen met een CLB-medewerker om de resultaten, de houding, de inzet en de vorderingen van de leerlingen te bespreken. Deze bijeenkomsten noemt men klassenraad. Ze laten toe elke leerling geleidelijk te oriënteren naar een richting die het best met zijn of haar mogelijkheden en belangstelling overeenkomt.

 

 

7. Informatie naar de ouders toe.

De bevindingen van de klassenraad worden, samen met de resultaten, en de bemerkingen i.v.m. gedrag op school en houding in klas, genoteerd :

  • in de agenda van de leerling die wekelijks ter ondertekening aan de ouders wordt aangeboden. Er is een afzonderlijk overzichtsblad voor de behaalde punten.

  • in het puntenrapport dat 4x per jaar wordt meegegeven.

  • omdat niet alles kan neergeschreven worden of niet altijd voldoende duidelijk is, is - voor meer uitleg of opheldering - een gesprek tussen ouders en leerkrachten meestal onontbeerlijk. Daarom worden de ouders uitgenodigd tot een oudercontactavond.

    • 1ste jaar : vijf keer :september (infovergadering) - eind oktober - Kerst - Pasen - juni

    • vanaf het tweede jaar is dit vier keer: eind oktober  - Kerst - Pasen - juni

     

     

8.   I C T = I n f o r m a t i e-   e n   c o m m u n i c a t i e t e c h n o l o g i e. 

Meer en meer stellen we vast dat leerlingen reeds in het basisonderwijs en ook thuis kennis maken met de computer. Vandaar dat de basisvaardigheden van ICT (Informatie- en communicatietechnologie = leren werken met een computer) nu aangeleerd worden binnen de verschillende vakken in de eerste graad (behalve in het 1ste leerjaar B en 2de beroepsvoorbereidend leerjaar: hier wordt het als een apart vak ingericht). Zo leren de leerlingen bv. het gebruik van een toetsenbord en muis, elementair gebruik rond tekstverwerking (tekst intikken, bewaren, verbeteren, afdrukken), elementair gebruik van Internet, enz.

De bedoeling is wel dat leerlingen in het 3de jaar alle basisvaardigheden kennen zodat men in andere lessen (bv. aardrijkskunde) onmiddellijk kan werken rond het onderwerp van de les (bv.  zoek de reliëfkaart van België op internet,  het weer vandaag, ...)




9.  Z o r g t e a m: gelijke onderwijskansen (GOK), leerlingenbegeleiding en leerbegeleiding

  • GOK

Mevrouw Lieve Vandenberghe is de GOK-verantwoordelijke van de school. In het M.M.I. proberen leerkrachten, opvoeders en directie, elke dag opnieuw om iedere leerling de beste kansen op onderwijs te geven. Via een screening werd er gekozen om in het kader van GOK vooral te werken rond de thema’s ‘Socio-emotionele ontwikkeling’ en ‘Preventie en remediëring’.

Hierbij worden kansen gecreëerd voor leerlingen die om één of andere reden niet met de stroom meekunnen. Want in een maatschappij waarin presteren steeds belangrijker wordt, dreigen jongeren die niet kunnen beantwoorden aan de hoge eisen die aan hen gesteld worden, uit de boot te vallen. Wij willen deze jongeren maximaal ondersteunen, want het MMI is meer dan een school...

Voor leerlingen met een attest van een leer- of ontwikkelingsstoornis (dyslexie, dyscalculie, dyspraxie, …) wordt in samenspraak met de kernklassenraad en het CLB een individueel didactisch paspoort opgesteld. Hierin staan speciale maatregelen genoteerd opdat de betreffende leerlingen de lessen beter kunnen volgen en juister geëvalueerd kunnen worden.

Leerlingen met een ontwikkelingsstoornis (hardhorigheid, slechtziendheid, autisme,...) krijgen enkele uren per week GON-begeleiding. In afspraak met de school komt een externe begeleider iedere week extra ondersteuning geven aan deze leerlingen en hun leerkrachten.

 

Het logo van de leerlingenbegeleiding op het Margareta-Maria-Instituut is een EGEL, symbool van de weerbaarheid waartoe we de leerlingen willen opvoeden : soms is het nodig je “stekels” op te zetten om weerbaar te zijn tegen groepsdruk rond pesten, druggebruik, enzovoort. 

De EGEL is ook de naam van de ruimte waar de leerlingen altijd terecht kunnen bij iemand van de leerlingenbegeleiding wanneer ze ergens erg mee zitten.

Tijdens de middagpauze verzorgt een groep enthousiaste leerkrachten een permanentiedienst Leerlingenbegeleiding. Leerlingen hebben er soms nood aan om hun hart te kunnen luchten, anderen zijn op zoek naar hulp. 

Groep leerlingenbegeleidersHoofdbedoeling is vooral tijd maken om te luisteren: leerlingen die met problemen kampen (thuis of op school), pestgedrag, problemen in de verhouding leerkracht/leerling, bezorgdheid om een klasgenoot (wordt gepest, is ziek, is met dingen bezig waar zij/hij beter afblijft, ...).

Voor vele kleine probleempjes zal de leerkracht met permanentie een concrete oplossing kunnen bieden of in het vooruitzicht kunnen stellen.  Bij blijvende of ernstige problemen zorgt de cel Leerlingenbegeleiding voor een individuele begeleiding van de leerling. Er kan ook samen gezocht worden naar een externe begeleidingsdienst.  Vanzelfsprekend kan de betrokken leerling daarbij rekenen op onze discretie. 

De cel leerlingenbegeleiding werkt nauw samen met het CLB Torhout. 

De leerlingenbegeleiding is elke dag in de Egel aanwezig : een overzicht van de “zitdagen” van de permanentiedienst én de cel wordt onder de vorm van een bladwijzer aan elke leerling uitgedeeld. 

Leerlingen kunnen zich spontaan melden maar ook leerkrachten en/of de klassenraad kunnen leerlingen doorverwijzen. Ook ouders kunnen de leerlingenbegeleiding contacteren.

 

De leerbegeleiding wordt grotendeels ingevuld door inhaallessen (voornamelijk van de hoofdvakken). In deze lessen worden bepaalde stukken van de leerstof opnieuw uitgelegd. Het voordeel is dat er op die momenten trager én in kleinere groepen gewerkt wordt. Wie welke inhaalles volgt, wordt beslist/geadviseerd in de klassenraad.

Daarnaast wordt tijdens de lessen ook heel veel aandacht besteed aan ‘leren leren’. Orde, zelfdiscipline, plannen,Groep leerbegeleiders en de studiemethode zelf zijn voor heel wat leerlingen geen evidentie.   Het is ons doel om uiteindelijk de leerlingen op een volledig zelfstandige en efficiënte manier te laten studeren.

Maar wij, leerkrachten alleen kunnen het niet. Het werk voor school moet ook in het gezinsleven een belangrijke plaats krijgen. Wij vinden de betrokkenheid van de ouders bij het studeren heel belangrijk. Wij verwachten hierbij niet zozeer dat de ouders de leerstof opnieuw uitleggen, maar wel dat er thuis gezorgd wordt voor orde, discipline en regelmaat.

Naast de rol van de ouders en van ons als school, is er ook de niet te vergeten rol van de leerling zelf. Het is een feit dat de leerling in de eerste plaats zelf de nodige tijd moet besteden aan schoolwerk en daarnaast ook over de nodige capaciteiten moet beschikken om de richting te kunnen volgen waarvoor hij/zij gekozen heeft. We dromen samen met u van gemotiveerde en bekwame leerlingen die over een efficiënte leervaardigheid beschikken en die zo nog voldoende tijd over houden voor de nodige ontspanning en verdere zelfontplooiing.

 

 



 

 


Voor vragen en/of suggesties, contacteer John Aspeslagh